Wieringermeer onder water

Bij de gedachtenis van de
onder water gezette Wieringermeer

Wat zijt ge mooi, in ’t blauwgroen kleed
En buigend voor het altaar treedt
Het tere zachte groene blad
Nog heel de slanke aar omvat
O, koren, wat zijt gij mooi.

Zachtjes bewogen door de wind
Golvend als een soepel lint
Luister ik naar uw liefdeszangen
En hoor het liedje van verlangen
O, koren, wat zijt gij mooi.

Is de liefdesdaad volbracht
Iedere korrel haar eigen kracht
Dan kinkt het hoopvolle lied
Hoort mensen ziet en geniet
O, koren, wat zijt gij mooi.

Gekozen heeft zij tot haar vriend
De kussende vlinder, de spelende wind
Nu zullen de zwangere levensaren
U mens de gouden korrel baren
O, koren, wat zijt gij mooi.

Hier wordt het goud met goud beloond
De zonne heeft haar het hoofd gekroond
En van alle sier en praal ontbloot
Toont ze u mens, haar rijke schoot
O koren, wij danken u.

          Ravensbrück, april 1945

N.B. Dit gedicht is alleen in getypte versie bewaard.

Toelichting
Amper vijftien jaar bestond de Wieringermeerpolder pas, toen de Duitsers op 17 april 1945 met explosieven een bres in de IJsselmeerdijk sloegen. Over het motief ervan bestaat tot op de dag van vandaag onduidelijkheid. Was het een manier om landingen van geallieerden te voorkomen? Of probeerde Seyss-Inquart op de valreep van de oorlog een betere onderhandelingspositie te verwerven? Vanuit een strategisch oogpunt bezien had de onderwaterzetting in ieder geval weinig waarde.[1]
Mens en land moesten het ontgelden. Met verwoestende kracht baande het water zich opnieuw een weg over de voormalige zeegrond, die inmiddels met veel handen was gecultiveerd en rijke oogsten voortbracht. Twintigduizend hectaren werden diep ondergedompeld. Het water kwam de zevenduizend bewoners letterlijk aan de lippen staan. Huizen en boerderijen werden in allerijl verlaten. Iedereen zocht een droog heenkomen, op de terp bij Wieringerwerf, op het oude land van Wieringen en in andere randgemeenten.

Had het nieuws in deze aprildagen ook het kamp Ravensbrück bereikt en was het Trien ter ore gekomen? Dat is niet onmogelijk want steeds meer berichten over de oorlogssituatie sijpelden het kamp binnen. Toch lijkt het waarschijnlijker dat Trien dit gedicht later heeft geschreven. Mogelijk in de eerste maanden na de bevrijding, toen ze in Zweden verbleef. Daar was ze in ieder geval nog in de sfeer van poëzie schrijven en voordragen. De titel ‘bij de gedachtenis…’ wijst ook op een tijdspanne tussen onderwaterzetting en ode.

Dezelfde Wieringermeer waar ze negen jaar eerder de kommervolle arbeidsomstandigheden verafschuwde en een grote werklozenstaking leidde, bezingt Trien hier in al zijn schoonheid. Met wederom een hoofdrol voor de bloeiende natuur en in het bijzonder voor het graan, dat ze ook al in het gedicht ‘Appèl-gedachten‘ ten tonele voerde. Het rijpingsproces van de slanke aar krijgt in haar beschrijving zelfs een erotisch tintje: van verlangen via liefdesdaad en kussende vlinder tot de zwangerschap die de mens een gouden korrel oplevert. De slotregel ‘O koren, wij danken u’ leest als een halleluja, niet ter ere van God maar van de goddelijke natuur en haar nakomelingen.

De Wieringermeer verloor slechts één jaar van zijn vruchtbaarheid. In het voorjaar van 1946 werd het eerste graan alweer ingezaaid en kon in de loop van het jaar een bijna volledige oogst worden binnengehaald.[2]

[1] Hoes, O., Inundatie van de Wieringermeer in april 1945. In: Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 20-2 (2011, webversie 2013), p. 65.

[2] Id., p. 73.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties