Stemming

Stemming

Gij bomen zo hoog, zo rank en slank
De wuivende kruinen naar boven
O, zeg mij, wie wilt gij in die schone muziek
In die ruisende tonen loven?

Betoverd gaat onze ziele mee omhoog
U Koninginne tegemoet
Zwijgend volgen wij de achterhoede
Wijl gij, hare majesteit begroet.

Langzaam gaan de poorten open
eerst komt de grijze blauwe stoet
Dan het rose, daarna purper
Steeds dieper, dieper wordt de gloed.

Vol gratie buigt ge ’t slanke lijf
De zachte zwellende akkoorden
Ruisen een bruisend levenslied
Langs de ontwakende hemelboorden.

Daar komt ze, hare majesteit
Statig, lichtend, klaar
En juichend gaat het door de buigende pluimen
De nieuwe dag, de zon is dáár.

          Ravensbrück, 17 februari ’45 ’s morgens

N.B. Dit gedicht is oorspronkelijk in een notitieboekje geschreven, uitgescheurd, gekopieerd en later uitgetypt. Op de getypte versie is daarna met de hand een andere titel bijgeschreven: ‘Opkomende zon’. Vgl. het eerder gedicht ‘Als de zon ondergaat’

Toelichting
In combinatie met het vorige gedicht laat de stemming van Trien zich voelen op die bewuste februaridag. Haar vriendinnen zijn omgebracht en hun ziel – Trien spreekt solidair van ‘onze ziel’ – treedt de koningin tegemoet. Weldra zullen de achtergeblevenen, de achterhoede volgen.
Opnieuw dicht ze hier over de machtige natuur, over de majesteitelijke zon die statig door de hemelpoort schrijdt en de nieuwe dag aankondigt. Begeleid door de zachte zwellende akkoorden en geloofd door de wuivende kruinen van de hoge, slanke bomen.

Net als in het gedicht ‘Als de zon ondergaat’ spreekt hieruit het verlangen naar een nieuwe stralende tijd. Trien wilde maar één ding: weg uit de misère van het kamp. Of ze nu door de poort van het kamp ging of door de poort van de hemel, het leek haar om het even.
Waarop doelt zij met de volgorde van de kleuren in de derde strofe? Van grijs-blauw via rose naar purper veronderstelt eerder een ondergaande dan een opkomende zon. Of horen de kleuren bij de stoet van mensen die door de hemelpoort gaan? Eerst de grauwe stoet van kampgevangenen en daarna de vrije mensen in fellere kleuren?

Opvallend is ook nu weer hoe hoopvol Trien spreekt over de natuur en hoeveel troost deze haar schenkt. Andere gevangenen beschreven juist de troosteloosheid van de natuur. ‘De wind waait wenend over de vlakte’ en in de platanen wonen louter ‘zwarte raven’.[1] Niet iedereen beschikte over de levenskracht, het optimisme en het uithoudingsvermogen die Trien ondanks de donkere tijden in haar poëzie tot uiting bracht.

[1] Jaiser, C., Poetische Zeugnisse. Gedichte aus dem Frauen-Konzentrationslager Ravensbrück 1939-1945. Stuttgart, 2000. p. 120.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties