Smart

Smart

Beste, lieve, trouwe kameraden
Wist ik maar, waar zijt ge heengegaan
God, laat me niet zoo smartelijk
Met deze lege handen staan.

Ik ben zo moe, ik kan niet meer
’t Is of ik een misdaad heb begaan
En m’n trouwste, beste vrienden
In nood alleen heb laten staan.

De slag was grof, de wonde diep
Zo zelfs, ik had niet meer het haatgevoelen
Nu zouden die lege handen
In die zwarte zielen willen woelen.

Ik zou ze uit elkander willen rijten
In elke vezel zoeken naar het kwaad
Ik zou ze verdelgen en verpletteren
Zo schrijnt in mij de haat, de haat.

‘k Zou langs de bodem willen kruipen
’t Hoofd als een struisvogel steken in ’t zand
O help me, mezelf terug te vinden
Toe, reik me toch de helpende hand.

Ik kan geen lieve woorden vinden
’t Is zo donker, zo leeg in m’n ziel.
’t Was het beste in nood gevonden
Een deel van mezelf, dat me heden ontviel.

Als ik bidden kon zou ik vragen:
God sta ze bij tot in den dood
Wilt onze liefde in hun harten dragen
Opdat ze ’t weten in stervensnood.

Fluister lieve goede woorden
Zing bij ’t overdragen zacht
Een wiegelied, zo vol en teer
Slaap zacht, mijne lieven, nacht, goeden nacht.

          Ravensbrück, 17 februari 1945 ’s avonds
          Vernietigingslager. Bij ’t sterven van de 8.

N.B. Dit gedicht is zowel in handgeschreven als in getypte vorm bewaard. Ook is een handgeschreven kopie gevonden in de nalatenschap van Agnès de Beaufort (Van Voerst, 2015, p. 96).

Toelichting
Zoals reeds in het vorige hoofdstuk besproken schreef Trien dit beklemmende gedicht bij de terechtstelling van acht kampvriendinnen. Ze was zo verbonden met hun lot, dat ze vervloekte dat zijzelf bleef leven. Zo verloren voelde ze zich dat ze de weg kwijt was. Een deel van haarzelf was verloren geraakt en haar ziel was leeg en donker. Was ze maar voor altijd bij hen gebleven in plaats van dat ene kwartiertje. Dan had ze zielerust gevonden. Tweemaal roept zij God aan. Keerde ze op de drempel van de dood terug naar het geloof van haar jeugd? Of was het een automatische aanroep zonder religieuze betekenis? Dat laatste lijkt het geval, want ze schrijft: ‘Als ik bidden kon, zou ik vragen…’.

Opvallend is ook dat Trien drie keer het woord ‘haat’ gebruikt. Ze wil de zwarte zielen (van de beulen, BL) verdelgen en verpletteren. Van een vredelievend iemand verwacht je dergelijke woorden niet, al gebruikte ze ze het wel een aantal malen in haar activistische periode bij de NAS Vrouwenbond. Maar dat was al meer dan tien jaar geleden. Ook in het bevrijdingsgedicht, het laatste in deze reeks van acht, schrijft ze: ‘Groot leeft in ons de haat.’[1]
De misdadigheid van de Duitsers en in het bijzonder het kampregime moeten bij Trien de diepste gevoelens van woede hebben gewekt. Dat was echter maar tijdelijk, want in verschillende spreekbeurten na de oorlog riep ze moeders op om kinderen ‘niet in haat op te voeden maar in liefde voor de medemensch’. In deze persoonlijke en dramatische situatie kon ze haar gevoelens blijkbaar niet nuanceren. Of zoals ze zelf dicht: ‘Ik kan geen lieve woorden vinden.’[2]

[1] De Vrouwenkrant, mei 1932 (IISG), artikel ‘Aan de vrouwen’, over het ellendige leven van de armen: ‘Ik kan nu begrijpen dat er in die menschen een gloeiende haat geboren wordt’; Zie ook De Vrouwenkrant, juli 1932 (IISG), artikel ‘Werkloosheid’.
[2] Spreekbeurten in resp. Hoorn (Nieuw Noordhollandsch Dagblad, 9 oktober 1945) en Westwoud/Binnen-Wijzend (Vrije Hoornsche Courant, 12 februari 1946).