Gedichten

De gedichten van Trien

Een van de verrassende vondsten in de bescheiden persoonlijke nalatenschap van Trien zijn de gedichten die zij in Ravensbrück heeft geschreven. Het zijn er acht, die hier integraal worden gepubliceerd. Niet vanwege het literaire niveau, dat zeker beperkt is te noemen, maar omdat zij een tip van de asgrauwe sluier oplichten en laten zien hoe Trien de laatste kampmaanden beleefde. Na de oorlog heeft zij de meeste gedichten uitgetypt en sommige in kopie aan diverse familieleden verstrekt. De vraag is of het haar complete kampoeuvre is, maar waarschijnlijk zal daarop nooit meer een afdoend antwoord komen.[1]

Honderden gevangenen schreven poëzie als troost en tijdverdrijf. Aan de rond 1400 overgeleverde gedichten zijn ten minste 137 namen verbonden, uit vijftien verschillende landen. Een bekende Nederlandse dichteres was de communiste Sonja Prins, die al voor de oorlog verschillende bundels met sociaal geëngageerde gedichten had gepubliceerd. Van veel kampgedichten is de auteursnaam nog steeds niet achterhaald.[2]
Vooral na 1942, toen er veel politieke gevangenen uit verschillende landen in het kamp terechtkwamen, schijnt de productie van gedichten op gang te zijn gekomen. Dat is niet onlogisch gezien de poëzietraditie in socialistische kringen. Het schrijven van gedichten was in dit geval een middel om de gruwelijke werkelijkheid te beschrijven en te verwerken, maar ook om eraan te ontsnappen. Ze werden voorgedragen op culturele avonden en verspreid onder kameraden. Van Trien zijn verschillende gedichten in andere persoons- en overheidsarchieven aangetroffen.[3]

Trien was dol poëzie. Ze had verschillende dichtbundels in huis, onder meer van Henriëtte Roland Holst. Voor haar verjaardag kreeg ze ook regelmatig een bundel. Als revolutionair-socialiste was poëzie haar niet vreemd. Bij grote manifestaties, maar ook bij de lokale partijvergaderingen in Hoorn was het declameren van gedichten een vast punt op de agenda. Naast Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst waren dichters als C.S. Adama van Scheltema, A. van Collem en Jacques van Hattum geliefd onder socialisten.
Arbeiders gingen ook zelf dichten. In Engeland heeft in de eerste helft van de negentiende eeuw een bloeiende dichterscultuur onder werklieden bestaan. Ook in België zijn talrijke voorbeelden van 19de- en 20ste-eeuwse arbeiderspoëzie te vinden. Nederland ontbeert een dergelijke traditie, maar heeft niettemin verschillende arbeiders-dichters voortgebracht. Zoals de Zeeuwse machinist-vrijmetselaar Abraham (A.L.) Lansen, wiens gedichten de bouwstenen vormden voor een aan hem gewijde biografie.[4]

A.L. Lansen

Dat Trien poëzie schreef, was in de kring van familie en vrienden nauwelijks bekend. Voor de oorlog is slechts één gedicht van haar overgeleverd, dat zij als hoofdredactrice eigenhandig publiceerde in De Vrouwenkrant. ‘Erbarmen’ (met de armen) is vooral een revolutionaire strijdkreet en niet een persoonlijke, esthetische ontboezeming. De stijl oogt onvolgroeid en houterig. Dat gaf niet, want het ging om de boodschap.[5]
De kommervolle omstandigheden en persoonlijke kwellingen in Ravensbrück brachten het beste van Triens verborgen poëzietalent boven. Blijkbaar was de behoefte om haar diepere emoties te uiten aan zichzelf en aan anderen onstuitbaar. Ook in de maanden na de bevrijding, in Zweden, droeg zij voor op een bonte avond. ‘Ze bracht ons met haar zelfgemaakte gedichten weer een ogenblik naar Ravensbrück terug,’ schreef een kampvriendin.[6]

De acht gedichten verschillen sterk van aanleiding, thema en sfeer. Elk gedicht gaat vergezeld van een toelichting waarin deze kenmerken nader worden gepreciseerd. Bij de volgorde is de datering aangehouden die bij de gedichten is vermeld, daarbij in het achterhoofd houdend dat sommige gedichten pas na het kamp geschreven kunnen zijn.

N.B. De teksten zijn origineel overgenomen. Eventuele fouten in spelling, woordgebruik, stijl en interpunctie zijn niet aangepast.

[1] De gedichten zijn in het bezit van dochter N. Omomo-De Haan en nicht N. Graafstal-Lankester.
[2] Jaiser, C., Poetische Zeugnisse. Gedichte aus dem Frauen-Konzentrationslager Ravensbrück 1939-1945. Stuttgart, 2000, p. 11-13. Gedichten uit Ravensbrück zijn onder andere te vinden in het Archiv der Mann- in Gedenkstätte (Fürstenberg, DL), het Staatsmuseum Auschwitz-Birkenau (Polen) en het Holocaust Memorial Museum in Washington D.C. Museum.
[3] Zie voor verspreiding o.a.  de gedichten ‘Smart’ en ‘Appèl-gedachten’.
[4] Altena, B., Machinist en wereldverbeteraar. Het leven van A.L. Jansen, 1847-1931. Hilversum, 2014, in dit geval p. 253-254; Vicinus, M., The Industrial Muse: A Study of British Nineteenth Century Working Class Literature, New York, 1974; Willekens, E., Sociale tendensen in de Vlaamse literatuur 1885-1914. S.M. Ontwikkeling nr. 144, Antwerpen, 1960. Zie ook Altena (2014), p. 253-254.
[5] De Vrouwenkrant, mei 1932 (IISG).
[6] Voerst van Lynden, I. van, Alleen de toekomst kan je ontnomen worden. De oorlogsjaren van Agnès de Beaufort. Amsterdam, 2015 (eigen beheer), p. 140.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties