De moeder

De moeder in moment en eeuwigheid
(Bij ’t sterven van onze jonge vriendinnetjes)

Hoort, hoort dat angstig klagen
Een geesel gaat er door ’t land
Het liefste word de mens ontnomen
De oorlogshel, die is ontbrand.

Nu is het tijd om sterk te zijn
’t Moment van harde slagen.
Mensen leert uw eigen werk
Nu met met moed te dragen.

Er zijn momenten in ’t leven
Dat men in eigen boezem woelt
Waar men een scherpe wonde voren
Diep in ’t eigen harte voelt.

De momenten saam aaneengeregen
Vormen zo de eeuwigheid
Kralen schitterend, dof en kleurloos
Iedere kraal, z’n eigen tijd.

*

Weet je lieve kleine makker
Zo was ook jou schone kraal
Schitterend in de ketting van ’t leven
Nu is ze kleurloos, dof en vaal.

Je meende, je kon alles tillen
Op je armen krachtig sterk
Vreugde had je in ’t leven
Vreugde had je in ’t werk.

Had je Moeder nog wel nodig
Och wel né, je kon zelf wel gaan
De wereld wou je gaan bekeren
Daden, doen daar kwam ’t op aan.

Jeugd is zo heerlijk, jeugd is schoon
’t Ideaal zo zuiver nog en rein
Met een waarachtig heerlijk willen
Daarom is de jeugd zo fijn.

Misdaad heeft de jeugd gegrepen
Misdaad sloeg z’n klauwen uit.
Naar millioenen jonge levens
Maakte zich een rijke buit.

*

Bloed, bloed en nog eens bloed
Van afgeschoten ledematen
Daar waar de ogen moesten zijn
Nu grote holle gaten.

Door al dat kermen en klagen heen
Hoort men één smartekreet
’t Is de roep om Moeder
Die door ’t hart heen sneed.

’t Beeld is vreeselijk, hartverscheurend
Hoort Moeders, dat is onze straf
Al deze ellende te aanschouwen
van dit ongedolven massagraf.

Radeloos in vertwijfeling wil ik vragen
O zeg me toch, waarom waarom
Is de mensheid lam geslagen
Blijft de Moeder eeuwig stom?

Kindermonden riepen Moeder
Grote mannen roepen Moeder aan
Dichters hebben de Moeder bezongen
Wat hebt gij Moeder in deze hel gedaan?

*

Voor jou is toen de strijd begonnen
Tastend zocht je naar ’t verleden
Niet sterven, och toe moedershand
De dood die kwam met rasse schreden.

Moeder, moeder, moeder
Eén moment in de wenteling van de tijd
Maar deze roep van zielesmart
Werd voor jou, de weg naar de eeuwigheid.

Moeders hebt ge deze roep gehoord
Uit duizenden kindermonden
Zo smartelijk, klagen, zielsbedroefd
’t Was het laatste wat ze roepen konden.

______

Weet je nog wel Moeder, hoe je ontroerde
En je kindje in de armen nam
Toen voor ’t eerst het woordje ‘moeder’
Over die kleine lipjes kwam?

En weet je nog ’t moment
Toen het de eerste stap in ’t leven deed
Wankelend, angstig, hulpbehoevend
Ik weet wel moeder, dat je ’t nog weet!

*

Urenlang kon jij vertellen
Als men naar je kindje vroeg
Weet je wel, hoe je ogen straalden
Als het de armpjes, om je hals heensloeg?

En weet je nog hoe trots je was
Dat je kind jou alles toevertrouwde
Dat in alles wat het ondernam
Op jou steun en hulp steeds bouwde.

Wat was hij groot en sterk en krachtig
Zo liet je hem van je henen gaan
Dag Moeder, waren z’n laatste woorden
Nu kijken, dode ogen je aan.

’t Verdriet is niet voor jou alleen
Er wenen duizendmaal duizend vrouwen
Over dit mensonterend werk
Moest heel de wereld rouwen.

’t Is nodig dat we de ogen openslaan
We moeten allen weten
Hoe je jongen gestorven is
Opdat we nimmer meer vergeten.

*

Je hoort nu maar de éne kreet
Dat roepen om de Moeder
’t Is een storm die slaat en beukt
Steeds wilder, steeds verwoeder.

Gij buigt u als een riet terneer
Dat striemen doet ’t hart zo zeer
Sta op, uw taak is niet volbracht
Strijd mee, né nooit geen oorlog meer.

Dan kan de vrouw, de Moeder zijn
Waarop de wereld bouwde
Dan kan de vrouw de Moeder zijn
Waarop het kind vertrouwde.

Daar staat ze dan, de Moeder
Met lichtend licht omstraald
’t Is kracht en steun en liefde
En vrede die in ’t harte daald.

Zo kniel ik voor u neder
En m’n ziel zingt zacht refrein
Moeder, Moeder, lieve Moeder
’t Zal eeuwig vrede zijn.

          Ravensbrück, 1942-1945

 N.B. Dit gedicht is welhaast zeker na het kamp geschreven (zie de datering), ook al doet de ondertitel, verwijzend naar de dood van jonge kampgenoten, anders vermoeden.  Het is in losse kopieën van geschreven vellen overgeleverd. Het eerste vel en het laatste vel zijn duidelijk herkenbaar, de volgorde van de andere drie vellen is onbepaald. De hier gekozen volgorde is dus onder voorbehoud. Met * is aangegeven wanneer het volgende vel begint. Tekstfouten en leestekens zijn niet gecorrigeerd.
Op een los blad dat eveneens bewaard is gebleven, schreef Trien: ‘Tante Trien. ’t Leven is opbouw, nimmer vernietiging’. Het lijkt op een schutsblad dat bedoeld is voor een neef of nicht. Bij dit gedicht was het een passend motto geweest.

Toelichting
Het thema van ‘de moeder’ loopt door heel Triens leven. Vanaf het moment dat ze getrouwd was tot aan haar positie in Ravensbrück. In hoofdstuk 8 is al uitgebreid stilgestaan bij haar opvattingen over de rol van de moeder-vrouw in de opvoeding en in de samenleving. En hoe zij haar persoonlijk moederschap secundair maakte aan het maatschappelijke moederschap.
In het kamp werd zij opnieuw moeder, van meiden en jongere vrouwen die bij haar steun en warmte. Haar levenskracht en levenswijsheid, waarin zeker ook iets belerends zat (zoals ik later als tiener zelf mocht ervaren), waren reddingsboeien om te overleven. Daar, in de warme solidariteit die tussen de vrouwen was gegroeid, werd haar pure moedergevoel opnieuw gewekt. De ondertitel – ‘Bij ’t sterven van onze jonge vriendinnetjes’ – wijst in die richting.

Het is een lang gedicht, vier tot vijf keer zo lang als de andere gedichten. Maar Trien heeft ook wat te vertellen. ‘De moeder in moment en eeuwigheid’ kun je niet in een handvol strofen behandelen. De moeder in het moment, dat is de moeder die een kind baart, het in de armen neemt en hoort hoe voor het eerste het woordje ‘moeder’ over de lipjes komen.[1]
Vervolgens ziet de moeder dat haar kind in de greep van het kwaad komt, de misdaad of de oorlog die ook een misdaad is waar ‘millioenen jonge levens’ het slachtoffer van worden. In ellendige omstandigheden is het uiteindelijk de moeder die wordt aangeroepen: ‘Door al dat kermen en klagen heen hoort men één smartekreet, ’t is de roep van Moeder die door ’t hart heen sneed’.

Dezelfde moeder, nee alle moeders, worden als schuldig gezien omdat zij toekomstige soldaten op de wereld hebben gezet. Een gedachtegang die paste in het vooroorlogse antimilitarisme en pacifisme waarop Trien zelf ook in artikelen en in voordrachten veelvuldig hamerde. Dus het is ‘onze straf, al deze ellende te aanschouwen van dit ongedolven massagraf’. Trien onttrekt zich niet aan haar eigen schuld, want het is ook haar straf. Wat bij haar de vraag doet opwerpen: ‘Blijft de moeder eeuwig stom?’
De confrontatie met haar eigen zoon, de gevallen soldaat, zou de moeder de ogen moeten openen. ‘We moeten allen weten, hoe je jongen gestorven is, opdat we nimmer meer vergeten’. Na het hartezeer komt dan het besef dat haar taak niet is volbracht. ‘Strijd mee, né nooit geen oorlog meer’. Dan staat de ware moeder op, waarop het kind vertrouwt en de wereld kan bouwen. En dan kan de moeder zijn die zij moet zijn: de brengster van de eeuwige vrede.

Als Trien al niet in de ban van het pacifisme was, dan gebeurde dat onmiskenbaar in het kamp. Nooit meer oorlog, was de boodschap die zij in haar naoorlogse spreekbeuren zou uitdragen. De rol van de vrouwen, moeders, de Moeder met een grote ‘M’, de oermoeder was daarin cruciaal.

[1] Het woordje ‘Mama’ werd in Triens jeugdjaren en in haar eigen gezin niet gebezigd. Wel ‘Moe’ of ‘Moeke’.

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties