Appèl-gedachten

Appèl-gedachten

Onder de blauwe hemel
Bouwt de mens een kluis
Ze stoppen daar de vrijheid in
En dragen ’t eigen kruis.

Het kruis is zwaar te dragen
en moeilijk is ’t gaan
Zodat bij velen voor ’t einde
de kruisen op de graven staan.

Onder de blauwe hemel
Lopen vrouwen zij aan zij
In hun nare triestigheid
In een grauw kleedij.

Duizend, duizenden van vrouwen
staren star en stom
Naar die hoge, blauwe hemel
Met de vraag: waarom, waarom.

Moeders wenend om haar kind’ren
Vrouwen treurend om de man
Jonge meisjes murw geslagen
Kunnen ’t leven niet meer an.

’t Lichaam overdekt met wonden
Uitgemergeld, uitgeteerd.
Droeve, moede, vragende ogen
Van harteleed, de ziel bezeerd.

Vrouwen vleugellam geslagen
Waag een blik toch naar omhoog
Tracht uw zielesmart te dragen
Naar die wijde hemelboog.

Komt reiken we elkaar de handen
Samen zoeken naar ’t kwaad
Samen lijden, samen strijden
’t Samen willen door de daad!

Dan bouwen wij een woning
Waar ’t zonnelicht in speelt
waar alles juicht en jubelt
’t Windje zingt en streelt.

Daar zien we de bloemen bloeien
En ’t rijpend golvend graan
Daar leren mensenkinderen
De zin van ’t leven te verstaan.

Daar luisteren we naar de zachte accoorden
van ’t komend jonge morgengloren
Zacht, zwellend juichend uit:
De mens is als opnieuw geboren.

        Ravensbrück, 1942-1945

N.B. Dit gedicht is bewaard in een kopie van een handgeschreven versie en een getypte versie. Dat het onmiskenbaar in het kamp is geschreven en daar is overgeschreven, blijkt uit het feit dat een versie bewaard is in een Tsjechisch archief.

Toelichting
Al lezende in het boek van Constanze Jaiser over poëzie uit Ravensbrück doemde plotseling een aantal bekende dichtregels op. Weliswaar in het Duits vertaald maar meteen herkenbaar: de eerste twee strofen van Triens gedicht Appèl-gedachten. [1]
Jaiser haalt het gedicht aan om te laten zien hoe dikwijls de bijbelse kruisiging in de kampgedichten voorkomt. Het kruis staat symbool voor lijden, opoffering en hemelse verlossing. Tevens fungeert het als merkteken van de dood. Beide functies verenigt Trien in dit gedicht. Ieder mens draagt z’n eigen kruis, dat echter zo zwaar is om te dragen dat het uiteindelijk op het graf komt te staan.

Bijzonder is dat zij de hele mensheid lijkt te veroordelen. De mens bouwt een kluis en stopt daar de vrijheid in. Die collectieve schuld is een christelijk thema bij uitstek. Als Trien nog of opnieuw religieuze gevoelens koesterde, was het wel in dit gedicht. Zelfs wordt de blauwe hemel – de naam God ontbreekt – aangeroepen met de vraag: waarom, waarom? Ook roept ze vrouwen op om hun zielesmart naar de wijde hemelboog te dragen.
Ze componeerde het gedicht tijdens het appèl, misschien wel hèt symbool van de verschrikkelijke kampervaringen. In veel gedichten, gepubliceerde kampherinneringen en naoorlogse interviews wordt het vernederende en verschrikkelijke op appèl staan genoemd. Uren, weer of geen weer, moest je stil staan en stil zijn. Dat verhinderde Trien niet om haar gedachten de vrije loop te laten en te verwoorden in dit gedicht. Immers, de gedachten zijn vrij.[2]

Ook in dit gedicht is de natuur weer rijkelijk aanwezig. Onder diezelfde blauwe hemel zal eens de vrijheid terugkeren, verlost uit de kluis. En dan zullen ‘wij samen’ in plaats van een kluis een woning bouwen waar het zonlicht in speelt, de wind zingt en streelt, bloemen bloeien en het golvende graan rijpt. Dat kan alleen, schrijft ze, als de mensen elkaar de handen reiken en het kwaad zoeken en verslaan. ‘Samen willen door de daad.’ Het socialistische hart van Trien klopt nog ongebroken.
In die pasgebouwde woning leren de ‘mensenkinderen’ weer de zin van het leven verstaan. En als het jonge morgengloren komt, zijn de zachte accoorden te horen van een lied: de mens is als opnieuw geboren. De wedergeboorte was ook in socialistische kringen geen ongebruikelijke gedachte. Wie gegrepen werd door het socialisme, voelde zich een nieuw mens. Of zoals de bekende SDAP’er Johan Schaper in 1933 schreef: ‘Een “wedergeboorte” was de kennisneming van de socialistische beweging voor mij in schier alle opzichten.’[3]

Tot slot nog iets over het begrip mensenkinderen. In het socialisme, waar zowel humanisten als religieuzen onderdak vonden, was het een voorkomend begrip dat kan worden geplaatst tegenover het traditioneel-christelijke ‘Godskinderen’. In beide gevallen symboliseert het de nietigheid en nederigheid van de mens in het Al.[4]

[1] Jaiser, C., Poetische Zeugnisse. Gedichte aus dem Frauen-Konzentrationslager Ravensbrück 1939-1945. Stuttgart, 2000, p. 147. De auteur trof het gedicht van deze ‘onbekende Nederlandse’ aan in de Tsjechische verzameling Europa i boji. 1939-1944. (Europa in het kamp). Het zou dus betekenen dat Trien het uiterlijk in 1944 heeft geschreven. Inmiddel staat het ook op internet (www.antiwarsongs.org) in een aantal vertalingen.
[2] Id., p. 166 vv. Die Gedanken sind frei is een bekend negentiende-eeuws volkslied dat in de concentratiekampen als protestsong werd gezongen. Zie ook Wibaut-Guilonard, T., Zo ben je daar. Kampervaringen. Amsterdam, 1983, p. 106-107.
[3] Het citaat komt uit Schapers herinneringen in zijn autobiografische publicatie Een halve eeuw strijd. Overgenomen uit Aerts, R., Jong, A. de, Velde, H. te, Het persoonlijke is politiek: egodocumenten en politieke cultuur (Hilversum, 2002), p. 27.
[4] Zie ook Eerdt, L. van, Herinneren met een boodschap. Ravensbrück in Nederlandse memoires, 1945-2005. Rotterdam, 2009 (master thesis EUR), p. 73, die Ravensbrück-overlevende Mieke van den Burger-Steensma aanhaalt: zij zag het kamp als een leerschool die van haar een ‘dankbaar mensenkind’ maakte.

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties