Als de Zon ondergaat

Als de Zon ondergaat

Wanneer ik, als gij ondergaat, o zon
Al mijn gedachten zeggen kon
Als ik zo naar boven stare

Al goud, al gloed, één kleurenpracht
’t Is voor mij of de hemel lacht
Zo wonderbare.

Soms denk ik aan een kinderhand
Die kwistig zo naar alle kant
De kleuren uitpenseelde.

En vol bewondering de oogjes slaat
Naar ’t wonderschone resultaat
En kan ’t niet verklare.

Ook ik voel me als een kind zo klein
M’n hart zo licht, zo klaar, zo rein
Alsof ik hier niet ware.

De kleurige vleugels uitgespreid
word ik opgenomen, door uw majesteit
Naar ’t grote onbekende.

          Ravensbrück, januari 1945 

N.B. Dit gedicht is alleen in getypte vorm bewaard.

Toelichting
De grauwheid binnen de hoge kampmuren van Ravensbrück contrasteerde sterk met de fraaie natuur aan gene zijde. Buiten strekten de bossen zich uit en stonden in het voorjaar en de zomer de weides in bloei. Op de aangrenzende Schwedtsee ging het kamppersoneel regelmatig met bootjes varen of er met warm weer in zwemmen.
De gevangenen die buiten het kamp werkten, konden naar dit alles alleen maar kijken. Voor de meesten zoals ook Trien, die nooit een stap buiten het kamp zetten, was deze buitenwereld onbereikbaar. Alleen de zon torende boven de muren uit en was in zware tijden een troostvolle metgezel. Deze lofzang op de ondergaande zon componeerde Trien wellicht in een uurtje dat ze vrij was of toen ze op avondappèl stond. Het moet aan het eind van de middag zijn geweest, want in januari ging de zon vroeg onder.

De zon is door de eeuwen heen veel bezongen in poëzie en in veel culturen synoniem met het goddelijke. Voor Trien had zijn schoonheid en grootsheid eveneens iets goddelijks. Boven de duistere donkerte van het kamp toverde hij een gouden gloed. ‘Uw majesteit’ noemt ze de zon in dit gedicht, een opvallende kwalificatie trouwens gezien haar antipathie jegens het koningshuis. Zelf beschouwt ze de zon als een koningin, zoals blijkt uit het gedicht ‘Stemming’ dat ze een maand later schreef.
In haar nabijheid kan ze het wonderbare niet kan verklaren,  klein als een kind zoals ze wordt.. Ook voelt ze zich vredig – ‘m’n hart zo licht, zo klaar, zo rein’. Ze droomt door de koningin te worden meegevoerd naar het grote onbekende. Als ze toch doodging, en daar was een gerede kans op, wilde ze dat het zou gebeuren op de vleugels van de zon die de wereld verlicht en de hemel laat lachen.

De natuur neemt in veel kampgedichten een belangrijke plaats in. Duizendmaal liever dichtte men over de schitterende zon, de heldere hemel, de schone bossen, de zachte lentewind en de lieflijke zingende vogels dan over de grauwe barakken, de smerige toiletten en de wrede Aufseherinnen. In het kamp werd de natuur daarentegen ook ervaren als onbereikbaar. Een gevangene schreef in haar dagboek dat de zon pijn in het hart teweegbracht. ‘Wanneer is dit verschrikkelijke voorbij?’[1]
Als Trien al geloofde, was het niet meer in christelijke god maar in de almacht van het bovenaardse dat zich in de natuur weerspiegelt. Daarmee trad ze in de voetsporen van schrijvers als de socialist Herman Gorter en de utopist Frederik van Eeden.

[1] Jaiser, C., Poetische Zeugnisse. Gedichte aus dem Frauen-Konzentrationslager Ravensbrück 1939-1945. Stuttgart, 2000, p. 88 en 117 vv.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties